Bezwering – Hoofdstuk 1

Ik had de beschermingscirkel met krijt op de woonkamervloer getekend. Twaalf zwarte kaarsen stonden er op ongeveer gelijke afstand van elkaar rond. De meeste ervan waren al vaak gebruikt en tot kleine, dikke stompjes gereduceerd. Een tweetal was nieuw, recht uit de doos. Ze torenden als grote zussen boven de andere kaarsen uit.

Ik knielde neer op een halve meter van mijn cirkel en zette een dertiende, eveneens nieuwe, zwarte kaars naast me op de grond. De vlammetjes dansten op het ritme van mijn ademhaling en ik perste mijn lippen stevig op mekaar zodat ik ze niet per ongeluk uit zou blazen. Daarna nam ik mijn IKEA-keukenmes in mijn rechterhand. Het zwarte, plastic heft voelde ruw aan omdat ik het al zo vaak in de vaatwasser had gedaan. Het Zweedse plastic bleek niet bestand tegen veelvuldige blootstelling aan hoge temperaturen.

Een speciaal door een priester gezegend offermes zou beter zijn. Maar die dingen stonden nu eenmaal niet met 50% korting op internet. Dus was mijn koksmes omgedoopt tot offermes. De priester die ik destijds gevraagd had het lemmet te zegenen, had nog net het gekkenhuis niet gebeld.

Het gekreukte papiertje met de bezwering hield ik stevig in mijn linkerhand geklemd. Uren had ik gestudeerd op de woorden. Ik kon ze wel dromen. Soms probeerden demonen hun oproepers van hun stuk te brengen zodat ze de bezwering vergaten. Van die gelegenheid maakte de demon dan gretig gebruik om los te breken uit de cirkel en zijn oproeper te doden. De afbeeldingen die ik daarover had gevonden, waren aansporing genoeg geweest om heel, heel, héél hard te studeren. Ik was er niet op gebrand te eindigen als kliederige massa op mijn laminaatvloer. Lage Demonen waren hier in theorie niet sterk genoeg voor, maar ik nam liever het zekere voor het onzekere. Het papier bleef dus in mijn handen. Mijn met-koffie-bevlekte kattebelletje.

Met mijn ogen dicht concentreerde ik me. 

Langzaam en duidelijk articulerend, uitte ik de bezwering:

“Heer der Duisternis, kom tot mij.

Aanhoor mijn bevel, proef mijn bloed.”

Ik sneed met het offermes in mijn handpalm, terwijl ik diep inademde. Waarom deed het ook steeds zo’n verdomde pijn? Meteen welde er bloed op.

“Dit is mijn offer aan u.

Kom en neem het in ontvangst.”

Ik kneep mijn hand samen, negeerde de pijn met mijn tanden op elkaar geklemd, en liet drie druppeltjes bloed op de kaars naast me vallen. Die stonden symbool voor de verbintenis tussen een oproeper en de demon: aanwezigheid, gehoorzaamheid en waarheid. De kaars siste en de vlammen kregen een rode gloed. De nu eveneens rode rook van de andere kaarsen zweefde naar het midden van de cirkel waar hij dichter op elkaar pakte tot een grillige, ronde bol. Langzaamaan kreeg de dichte rook vastere vorm. Twee bogen bovenaan de rookwolk werden horens. Aan de onderkant verschenen twee bokkenpoten. Zienderogen transformeerde de rook in vlees en huid en haar. Toen het proces voltooid was, zat er een klein, donkerrood wezentje in het midden van de cirkel. Het had een brede mond waarvan de onderkaak verder naar voren stak dan de bovenkaak. Dit kwam vermoedelijk door de twee slagtanden die uit de onderkaak groeiden en bovenop de bovenlip rustten. Het wezentje was naakt en geslachtsloos. Twee kleine horentjes sierden zijn kale kruin. Een miniatuur-faun.

Snel maakte ik de bezwering af.

“Door mijn bloed ben je gebonden.

Enkel met mijn bloed kan je weer gaan.”

Ik verhitte het mes in de kaars naast me en duwde het hete lemmet tegen de open wonde. Die sloot zich sissend en ik kon een kreun niet onderdrukken terwijl de tranen me in de ogen sprongen. Het dichtmaken van de wonde was zo mogelijk nog pijnlijker dan het bloedoffer zelf.

Volgens “De Geschiedenis der Bezweerders”, een boek dat ik jaren geleden gekocht had op de rommelmarkt, was dit deel van de bezwering nodig om de cirkel volledig te sluiten. Van zodra de demon weer uit de cirkel verdween, zou ook het litteken verdwijnen. Vroeger werd het sluiten van de wonde al eens overgeslagen uit angst beschuldigd te worden van hekserij, maar hierdoor konden demonen gemakkelijk ontsnappen uit de cirkel. De kleinste oneffenheid in een cirkel was dan voldoende. Vele demonenoproepers waren nodeloos gestorven door deze onoplettendheid, had ik gelezen. Die marktkramer moest eens weten wat voor schat hij me in handen had gegeven voor amper twee euro. Ik kon het aantal keren dat ik mijn leven te danken had aan dat boek niet meer op twee handen tellen.

De kleine demon tilde zijn hoofd opzij en bestudeerde me van kop tot teen. Zijn ogen waren volledig zwart, op een smalle, horizontale rode streep na. Hij leek recht door me heen te staren. Ik onderdrukte de neiging achteruit te deinzen en stak in de plaats daarvan mijn kin naar voren.

“Wat wil je, mensss?” De diepe stem weergalmde door mijn kleine woonkamer. Hopelijk sliepen mijn buren al. Hij lispelde een beetje, vermoedelijk door die zware slagtanden. De diepe kelderstem paste totaal niet bij het kleine wezentje.

“Vertel me je naam,” beval ik.

Gebonden door de spreuk, kon het wezen niet anders dan antwoorden: “Nybbasss.”

Snel greep ik een van de boeken die naast me op een hoop lagen. De enige, maar ook wel meest volledige, grimoire die ik bezat – en zocht naar de naam “Nybbas”.

Nybbas bleek een inferieure demon. Hij stond bekend als een charlatan eerste klas. Niet zelden kreeg hij het voor elkaar de Hoge Demonen met zijn leugens tegen elkaar op te zetten. En op een of andere manier kwam hij altijd als overwinnaar uit die strijd.

Perfect.

“Ik heb informatie nodig.”

De demon grijnsde en de rillingen liepen over mijn rug.

“Voor de juisste prijss, heb ik alle informatie die je je maar kan inbeelden.” Hij maakte een kleine, maar theatrale buiging. “Tot uw diensst.”

“Ik wil een Hoge Demon kunnen oproepen.”

Nybbas’ ogen werden groot van verbazing.

“Dat kan je niet. Nu toch nog niet, ssterveling.”

“Waarom niet?”

“Denk je echt dat je een Hoge Demon kan tegenhouden met een krijtsssirkeltje?” hij spuwde erop en de fluim ging sissend in rook op. De demon fronste zijn wenkbrauwen.

Ik vloekte binnensmonds. Ik vermoedde al langer dat mijn cirkel ontoereikend was. Nybbas had dat nu bevestigd. Zuchtend dacht ik na.

Ondertussen trippelde de demon op zijn korte beentjes heen en weer langs de rand van de cirkel. Ik hoorde zijn hoeven tikken op de laminaatvloer en keek op. Hier en daar stak hij zijn vinger uit om de kracht van mijn cirkel te testen, maar hij werd telkens door een onzichtbare muur tegengehouden. Uiteindelijk hield hij zijn handen achter zijn rug en keek me aan. 

“Denk je trouwensss dat zsszze dat druppeltje bloed gaan aanvaarden alsss bindmiddel?” onderbrak hij mijn gedachten. “Je bloed isss lekker hoor.” Hij smakte met zijn dunne lippen alsof hij het nog kon proeven. “Zsszoet, met een kaneelachtige nasssmaak. Maar dat gaat een Hoge Demon nooit genoeg vinden!”

Ik knikte. Dat had ik inderdaad al gelezen. De prijs om een Hoge Demon op te roepen was hoog, voor de meesten zelfs onbetaalbaar. Maar meer stond er niet in mijn boeken. Zelfs geen hint naar wat die onbetaalbare prijs dan zou zijn. Maar voor mij was geen prijs te hoog! Ik moest en zou een Hoge Demon oproepen.

“Dat weet ik. Daarom dat ik de kennis wil zodat ik op de juiste manier een Hoge Demon kan oproepen.”

Nybbas schudde zijn hoofd: “Die informatie heb ik niet.”

“Wat?”

Nybbas haalde zijn schouders op en ging in kleermakerszit voor me zitten. De kleine faun-demon bleek verrassend lenig dat hij zijn bokkenpoten over elkaar kon kruisen.

“Ik weet dat deze ccsssirkel niet voldoet, maar ik weet niet wat wel volsstaat.”

Ik kneep mijn ogen tot spleetjes. Sprak hij de waarheid? Nybbas was gebonden tot waarheid, maar dat betekende niet dat alles wat hij zei volledig klopte. Demonen waren meesters in politieke spelletjes en konden heel vaardig de waarheid omzeilen en toch niet liegen. Gezien zijn achtergrond was Nybbas hier heel bedreven in. Dus moest ik mijn vraag anders stellen.

“Kan het met een cirkel?”

Nybbas knikte. “Ja,” luidde zijn korte antwoord. Hij leunde nu achteloos op zijn ellebogen, maar zijn priemende geitenogen uitten duidelijk zijn ongenoegen omdat ik hem doorzien had.

“Met krijt?”

Opnieuw knikte de kleine demon. “Ja.”

“Moeten er speciale tekens toegevoegd worden?”

Met onverwachte snelheid stond de demon recht voor me. Ik deinsde achteruit. Enkel de dunne cirkel en enkele centimeters lucht scheidden hem van mij en mijn vermoedelijk gewisse dood. 

Nybbas grijnsde, maar zijn plezier was van korte duur. Met een diepe zucht antwoordde hij opnieuw. “Ja.”

“Welke tekens?” mijn stem trilde. Zo dicht was ik er nog nooit bij geweest.

“Die ken ik niet.” Nybbas’ grijns liep van oor tot oor.

“Wie wel?”

“Dat weet ik niet. Het isss nogal gevoelige kennisss.”

Inwendig vloekte ik weer. Zo dichtbij!

“En de bezwering? Hoe luidt die?”

Nybbas schopte tegen de cirkel. Kleine bliksemschichten schoten uit de cirkel en verschroeiden zijn hoef. Toch gaf de demon geen kik. Mijn hart, daarentegen, maakte verwoede pogingen uit mijn borstkas te springen.

“Ook dat ga je aan iemand anderssss moeten vragen. Laat me er nu uit. Ik heb genoeg van je vragenssspelletje.”

Ik negeerde hem en dacht na. Had ik echt alle mogelijke vragen gesteld? Ik keek op de klok. Bijna middernacht.

“Laat me gaan!” schreeuwde Nybbas en hij schopte opnieuw tegen de cirkel op net dezelfde plaats. Met afgrijzen zag ik hoe zijn hoef deze keer gewoon door de cirkel ging en hem niet meer verbrandde. De wenkbrauwen van de demon gingen omhoog. Zijn muil verbreedde zich in een gemene grijns en hij zwierde zijn poot naar achter, duidelijk met de intentie nog een derde keer te schoppen met alle kracht die hij als klein wezentje bezat.
Voor hij een derde keer kon uithalen, sprak ik snel de ontbindende bezwering uit.

“Ga heen, demon.

Keer terug naar je eigen dimensie.

Ga heen en sluit de poorten van de hel.

Het bloed is ontbonden”.

Daarna likte ik aan de brandwonde. Het speeksel ontdeed het bloed van zijn bindende krachten.

Terwijl Nybbas in rook veranderde, zag ik nog hoe de demon laatdunkend voor me boog. Zijn stem weergalmde vlak voor hij helemaal verdween: “Ik zssal de groeten doen aan je mammie en pappie!”

Daarna keerden de kaarsen weer naar hun normale, geeloranje kleur terug. De bezwering was voorbij.

Leeg en met tranen in de ogen staarde ik naar de plaats waar zonet de demon nog had gestaan. Zijn stem echode door mijn hoofd. 

De groeten aan je mammie en pappie.

Woedend schopte ik tegen een van de boeken op de grond. 

Ik was nog geen stap dichterbij.


Meer lezen?

Bezwering is te koop als paperback via alle reguliere boekhandels, en als e-book via Kobo en Kindle.


Liever een gesigneerd exemplaar?

Neem contact met me op via het contactformulier.