Bevrijding – Hoofdstuk 1

Alexej was een studie van wit: witte lakens, bleke huid, blonde haren. In het ziekenhuisbed leek hij kleiner dan hij in werkelijkheid was. Mijn hart kneep samen. Hij lag daar helemaal alleen. Niemand mocht bij hem.

Alexej’s ziekenhuiskamer lag in de kelderverdieping. Naast het mortuarium, nota bene. Niet dat er in het geval van de vampiers een lichaam op te baren zou zijn. Vampiers vergaan tot stof en as wanneer ze sterven. In een mortuarium komen zij niet terecht. Nee, de reden dat het ziekenhuis voor de kelderverdieping koos als impromptu vampierenziekenboeg was omdat dit de enige plaats is waar de kamers geen ramen hebben.

“De dokters geven hem bloedplasma via een infuus,” zei Sam die als vanuit het niets achter me stond.

Ik beet op mijn lip. “Is er al iemand van deze ziekte genezen?” vroeg ik met een klein hartje.

Sam zuchtte. “De dokters zeggen dat ze prioriteit geven aan de vampiers. Alle medische faculteiten zoeken mee naar de oorzaak én oplossing.”

Het was geen direct antwoord op mijn vraag. Geen goed teken.

“Wanneer is dit begonnen?”

“Enkele weken geleden.”

Ik liet mijn hoofd zakken. Ik droeg Alexej geen warm hart toe sinds hij me ongevraagd kuste in het bijzijn van mijn toen bijna-vriendje, maar dit verdiende hij niet.

Geen drie uur geleden – het leek wel een ander tijdperk – arriveerden Ruben en ik op wat een normaal kerstfeest had moeten zijn. Sam had een mastodont van een kerstboom gezet die zowat de helft van de beschikbare ruimte in beslag nam. Hij was versierd met honderden lichtjes, snoepjes en vilten kabouters met dikke neuzen en een rode puntmuts. Er hingen zelfs echte appels in. En op de top prijkte een reusachtige gouden ster. Kerst zoals ik hem al jaren beleefde. Zoals het hoorde.

Mijn gedachten dwaalden verder naar af naar de feestelijk gedekte tafel, de geur van kaneel in de keuken waar de piparkakut, de typisch Finse gember-kaneelkoekjes, in de oven stonden te bakken.

Alexej, gezond en wel, die met een bulderende “S rozhdjestvom!” naar Ruben en mij kwam toegelopen. Behalve een hand gaf hij me ook drie kussen op de wang. Zedig. Zonder bijbedoelingen.

Oom Francis was er ook. De vampier, die niet mijn echte oom was natuurlijk, maar deze titel als koosnaam kreeg toen ik als zesjarige aan hem voorgesteld werd, omhelsde me stevig toen hij me zag. Hij had zelfs Rubens hand geschud. Kerst was een tijd van vergiffenis en vriendschap. Alle vampiers hadden Rubens aanwezigheid zonder meer aanvaard. Ik herinnerde me nog hoe opgelucht ik daarover was. Mijn grootste angst dat onze uitnodiging voor Sams kerstfeest eigenlijk een verhulde hinderlaag voor Ruben was, viel volledig weg bij hun hartelijke ontvangst.

We hadden samen het glas geheven en getoast op deze tijd van licht in het duister. Op gezelligheid, familie en vriendschap. Ruben en ik dronken champagne, en de vampiers bloedagne, een chemische mix van alcohol en bloedplasma.

Toen al waren de gesprekken onherroepelijk overgegaan op het onderwerp van de zieke vampiers. Sam was er als territoriumleider uiteraard al van op de hoogte.

Als een film speelde het gesprek zich weer voor mijn geestesoog af.

“Ik had gehoopt het nieuws in te dijken,” zuchtte Sam, “maar eens de geruchtenmolen op gang is… Maar inderdaad, enkele vampiers zijn ziek. We weten niet wat het is. Ze liggen in een speciale afdeling in het ziekenhuis.”

“Ze krijgen de beste verzorging,” vulde Alexej aan. “Maar de dokters vinden niets. Volgens de tests zijn ze kerngezond.”

“Vampiers worden toch niet ziek?” vroeg ik. Ik woonde bijna mijn hele leven bij de vampiers in Antwerpen. Nog nooit had ik een van hen zelfs maar horen niezen.

Verno,” zei Alexej. “Dat klopt. Deze mysterieuze ziekte zet de wetenschap op zijn kop.”

“Dus het is geen vleesetende superbacterie?” vroeg Francis. “Daarover hoor je weleens verhalen.”

“Voor zover we weten niet,” zei Sam. “In hun bloed vinden ze niets. Er is ook geen aanwijsbaar verband tussen het bloed dat de zieke vampiers gedronken hebben, of de plaats waar ze wonen.”

“Hoe bescherm je jezelf tegen iets dat er niet is?”

Daar moest Sam Francis het antwoord schuldig op blijven. Voorlopig waren de voorzorgsmaatregelen beperkt tot waakzaamheid en geen voedsel delen. Waarmee bedoeld werd dat je niet om de beurt van dezelfde persoon mocht drinken. Ook het flessenbloed dat de slachtoffers hadden gedronken voor ze ziek werden, was extra gecontroleerd. Maar ook daar werden geen virussen of bacteriën in ontdekt. Dus achtten de artsen het nog steeds veilig om flessenbloed te drinken. Misschien zelfs veiliger, voor het geval het toch de mensen waren die een of andere ziektekiem met zich meedroegen die zich plots gemuteerd had tot vampierinfecterende superbacterie.

Er klonk een belletje in de keuken.

“Het voorgerecht is klaar.” Sam stond op. “Iedereen mag aan tafel.”

Het voorgerecht in kwestie was een gegratineerde sint-jakobsschelp voor Ruben en mezelf. De vampiers aten natuurlijk niet. Zij dronken gewoon verder van de bloedagne, waarbij ze soms afwisselden met gewoon bloed. Van bloedagne kon je dronken worden, en de alcoholcontroles maakten geen onderscheid tussen vampier of mens.

“Komt Riika wel met oudjaar?” vroeg ik.

Het antwoord op die vraag kwam er nooit.

Aan de overkant van de tafel klonk een kreun. Alexej tastte naar zijn hoofd.

“Alexej?” vroeg Sam. Hij zette zijn glas neer. De okerkleurige vloeistof klotste over de rand. “Wat is er?”

“Ik…” begon hij. Er drupte bloed uit zijn neus. Zijn huid zag nog bleker dan normaal. Bijna grauw. Hij opende zijn mond, maar er kwam geen geluid uit. Alleen gerochel waarbij een dikke prop bloed uit zijn mondhoek en over zijn kin droop. Hij veegde met zijn hand over zijn mond en keek naar het bloed alsof hij het voor de eerste keer zag. Dan stuikte hij in elkaar.

Sam legde een hand om mijn schouders en trok me dicht tegen zich aan, terug naar het hier en nu.

“Je ziet er moe uit. Ga naar huis en slaap wat. Ik bel je zodra ik meer weet.”

Ik wilde protesteren, maar Sam was me voor.

“Ga,” gebood hij. “Ruben wacht boven.”

En na een korte kus op mijn voorhoofd duwde hij me in de richting van de uitgang.

Een verpleegster passeerde me met een berg bebloede lakens in haar armen. Haar schoenzolen piepten op het linoleum. De flikkerende TL-lampen reflecteerden het wit van haar ogen. Haar mond ging verborgen achter een mondmasker.

Toen ze de gang uit was en haar piepende voetstappen wegstierven, was het muisstil. Behalve gekreun of kokhalsgeluiden hoorde ik helemaal niets. Het typische gebiep dat je in films altijd hoort bij ziekenhuisscènes ontbrak. Vampiers hebben geen hartslag dus een hartmonitor is overbodig.

Overal om me heen lagen vampiers aan infusen met witte en gele vloeistoffen in. Hun gezichten waren ingevallen, hun lippen dun en vol korsten.

Een grote plexiglas wand deelde de ruimte in twee. Eén kant was voor de bezoekers, de andere voor patiënten. Zo bleven gezonde mensen van de zieken gescheiden. Voor zover men wist, beperkte deze mysterieuze ziekte zich enkel tot vampiers en droeg het niet over op mensen. Maar niemand wilde het risico nemen. Nog een nadeel van immer gezonde patiënten: de artsen hadden geen flauw idee waar ze aan toe waren. Waarom zou je in je opleiding leren over de anatomie van deze mysterieuze wezens, als je ze toch nooit in je kabinet ging zien?

Maar tot er meer zekerheid was over de manier waarop deze epidemie zich precies verspreidde, lagen de vampiers in quarantaine. Niemand mocht erbij. Ook mensen niet. Het verplegend personeel werd dagelijks getest op mogelijke ziektes. Niet omdat ze besmet zouden kunnen raken. Wel om te kijken of ze niet ziek waren voor ze begonnen werken en misschien onbewust drager waren van wat de vampiers ziek maakte.

Het gedeelte voor de patiënten was provisoir verdeeld in aparte ‘kamers’ door verrijdbare tussenschotten en gordijnen die met duimspijkers in het plafond vast zaten. Ik wandelde aan de gezonde kant van de kunststoffen muur. In het doolhof van stof en staal ving ik glimpen op van bedden. Ze waren bijna allemaal bezet. Hoeveel vampiers waren er eigenlijk ziek? Dit was maar één ziekenhuis. In één stad. Was dit een wereldwijd fenomeen? Of beperkte de ziekte zich tot Antwerpen?

Ik hoorde het geluid van kokhalzen en keek op. Iemand gaf net bloed over. Gal baande zich een weg omhoog door mijn slokdarm naar mijn keel. Ik slikte en versnelde mijn pas vooraleer dat tafereel op mijn netvlies gebrand stond.

De rit naar huis ging aan me voorbij. Ruben probeerde een gesprek aan te knopen, maar gaf het op nadat ik amper reageerde op zijn vragen.

“Kom je naar bed?” vroeg hij toen we thuis waren.

“Dadelijk. Ik heb even wat frisse lucht nodig.”

Hij omhelsde me. “Ze vinden wel iets, Cass,” zei hij. “Niet wanhopen.”

“Ik hoop het,” antwoordde ik met een krop in mijn keel. “Ik voel me schuldig. Het is alsof dit gebeurt omdat ik kwaad op hem ben.”

“Niet doen.” Hij trok me steviger tegen zich aan en ik nestelde me in zijn omhelzing. “Dit heeft niets met jou te maken. Soms worden mensen ziek.”

“Mensen, ja. Vampiers niet.”

“Alexej is niet de enige. Was jij boos op al die vampiers die nu in quarantaine liggen?” Hij wachtte niet op antwoord. “Natuurlijk niet. Het is toeval. Dit heeft niets met jouw gevoelens te maken.”

Mijn verstand wist dat wel. Maar de knoop in mijn maag wilde niet lossen.

“Ik ga nog even buiten zitten,” zei ik. “Ik zie je zo.” Ruben liet me pas gaan na een laatste kus en stevige knuffel

Ik ging op een van de loungestoelen naast het zwembad zitten met een deken over me heen gedrapeerd en een kop warme chocolademelk die ik nog gauw gemaakt had. Mijn adem vormde samen met de stoom van de chocolademelk een dans van dampen in de vrieskou. Ik trok mijn benen op en stopte alle uiteinden van het deken onder me. Mijn gedachten bleven naar het ziekenhuis dwalen. Wat voor superbacterie kon vampiers vellen? Was dit een gevolg van verkeerd gebruik van antibiotica? Een mutatie van het griepvirus? Een zombiebacterie?

Ergens moest er toch iemand zijn die wist wat er aan de hand was?

Een korte kuch onderbrak mijn gedachtegang.

“Ik kom er zo aan, schat,” zei ik zonder opkijken.

“Dat is lief van je, maar ik ben vrij zeker dat we niet compatibel zijn.”

Nu keek ik wel op. Die stem kende ik. En hij hoorde niet bij Ruben.

Net toen ik me omdraaide, sprong een zwarte kat op de tafel naast me.

“Aitvaras!”

“In levende, doch nogal harige, lijve,” antwoordde de demon met een zucht.

“Waarom ben je in kattenvorm?” vroeg ik.

Hij liet zijn kop hangen. Meer informatie had ik niet nodig.

“Ashmedai.” De naam van mijn gesel glibberde tussen mijn lippen als de slang die hij was.

“Ach, geluk bij een ongeluk, zeg maar,” zei Aitvaras op luchthartige toon, maar de spanning in zijn stem ontging me niet. “Zo heb ik geen bezwering nodig om hier te geraken. Er loopt hier ergens een alleraardigst kattinnetje rond dat mijn gezelschap meer dan op prijs stelt.” Toen hij mijn blik zag, voegde hij eraan toe: “En om jou op de hoogte te brengen.”

“Op de hoogte te brengen van wat?”

“De meest recente machtswissel bij de demonen.”

“Is Nysrogh nu al van de troon gestoten? Dat is snel.” Ik kon de ironie niet helemaal uit mijn stem houden. Nysrogh was vroeger de generaal van Ashmedai. Maar hij was het beu tweede viool te spelen en had een plannetje beraamd om zijn koning van de troon te stoten en zelf te heersen. Dat lukte hem uiteindelijk. Maar niet voor lang blijkbaar. Amper enkele maanden. Heel erg hard trok ik het me niet aan. De demonenkoning – of ex-demonenkoning als ik Aitvaras mocht geloven – had zich een paar weken geleden ook niet al te moe gemaakt om mij te helpen. Dus waarom zou ik me zijn lot aantrekken?

“Ja,” bevestigde Aitvaras kort. Hij trok het zich wel aan. Niet helemaal onbegrijpelijk. Nysrogh en hij waren goede kompanen. Strijdmakkers in hun complot tegen Ashmedai. “Maar het zal je wel interesseren als je weet dat de huidige monarch en de zieke vampiers aan elkaar gelinkt zijn.”

Mijn hart kneep samen. Ik zag de bleke, fragiele gedaante van Alexej in het ziekenhuisbed weer voor me. Ik verdrong het beeld door me te concentreren op het huidige gesprek.

“Het is toch niet Ashmedai die weer aan de macht is?” vroeg ik met niet helemaal vaste stem.

“Dat zou hij wel willen!”

In de verte klonk een zwak miauw. Er was dus echt een kattinnetje? Aitvaras’ oren spitsten zich. Hij tilde een voorpoot op en likte met lange halen aan zijn buik. Ik wachtte tot er meer kwam. Toen dat niet het geval was, vroeg ik: “Wie dan wel?”

Hij zette zijn poot weer neer en keek me zonder te knipperen aan met die gele kattenogen van hem. Ik onderdrukte de neiging om mezelf dieper onder het deken weg te stoppen, weg van die X-rayblik van hem.

“Het interesseerde je toch niet?”

Ik zeeg dieper neer in de stoel en probeerde ongeïnteresseerd voor me uit te kijken. “Dat is ook zo. Laat de demonen hun eigen plan maar eens trekken. Ik ben er klaar mee.”

“Met jouw dochter ook?”

“Wat een domme vraag. Natuurlijk niet!”

“Goed,” zei Aitvaras, “Want het is jouw dochter die een vloek op de wereld heeft losgelaten.”

“Heel grappig. Mijn dochter is drie maanden oud.” Ik liet me achteruit zakken in mijn stoel, en dronk van mijn ondertussen lauwe chocolademelk. Was dit demonenhumor? Me op stang komen jagen met verhalen over mijn ontvoerde dochter? Aitvaras moet gehoord hebben dat ik me schuldig voelde over Alexej’s ziekte, en dacht wellicht dat het lollig was om me onrechtstreeks als oorzaak te benoemen.

“De tijd verloopt anders in het demonenrijk,” legde Aitvaras uit met schoolmeestergeduld. “Je dochter is net tien jaar geworden.”

Ik proestte mijn slok chocolademelk weer uit.

“Wat?” riep ik. Nu wist ik wel zeker dat hij me aan het jennen was.

“Ze is tien jaar en een erg flinke meid, zo blijkt. Ze heeft Nysrogh van de troon gestoten, en bepaalt nu het doen en laten van honderden demonen.”

Ik kreeg kippenvel en trok de deken dichter tegen me aan. Niet dat het hielp. Deze kou kwam van binnenuit, niet van buiten.

Mijn dochter. Het product van Ashmedai’s verkrachting vorige zomer toen hij bezit genomen had van Rubens lichaam. Tijdens mijn zwangerschap had ik naar strohalmen gegrepen en gehoopt dat ik – hoewel ik zwanger was van het kind van een demon – toch een menselijk wezen zou baren. Die hoop spatte als een zeepbel uit elkaar toen ik vernam dat ik zelf ook een van Ashmedai’s kinderen was. Net zoals mijn moeder en mijn grootmoeder, mijn overgrootmoeder én mijn betovergrootmoeder. Vier generaties vrouwen waren me voor gegaan. Ik was nummer vijf, en mijn dochter nummer zes. Dat maakte onze genenpoel zo zwart als roet.

Het hoe en waarom van Ashmedai’s daden was me echter nog steeds een raadsel. Wat wilde hij bereiken door zes generaties vrouwen te bevruchten? We waren genetische wonderen. Maar dan niet van het goddelijke soort.

“Wat voor vloek?” vroeg ik uiteindelijk.

“De demonen noemen hem Lilith’s Wraak.”

Lilith. De naam zei me vaag iets, maar ik kon hem niet meteen plaatsen.

“Het is je wellicht opgevallen dat kerngezonde vampiers als bij bosjes neervallen? Dàt is Lilith’s Wraak.”

“Dit is allang niet grappig meer,” zei ik.

“Nee, vind ik ook niet. Of denk je dat ik voor mijn plezier haarballen uitspuug?”

“Dat was Ashmedai’s schuld toch?”

Aitvaras tikte met het puntje van zijn staart op de tafel.

“Ja, maar als Merihim zich gedroeg, had hij me wellicht met rust gelaten, en lag ik nu op de Côte d’Azur met de cast van Baywatch. De vrouwen weliswaar. Alhoewel… Die mannen mogen er ook zijn.”

Daar wilde ik me niet al te veel bij voorstellen. Ik concentreerde me op het eerste deel van zijn relaas. Merihim? Was dat haar naam? Al drie maanden zocht Ruben een manier om mijn dochter – mijn baby! – uit de klauwen van de ex-demonenkoning te redden. Daarvoor gebruikte hij dezelfde methode als ik toen ik mijn ouders probeerde te bevrijden. Elke nacht riep hij een willekeurige demon op. De gelijkenissen waren verontrustend. Met dit verschil dat Ruben veel demonen bij naam kende en dus perfect wist welke demon hij moest aanroepen om zijn kennis bijeen te sprokkelen. Dat voordeel had ik destijds niet, waardoor ik lang dacht dat ik mijn ouders nog kon redden. Dat bleek fout. Mijn ouders waren allang dood. Hoe vaak had ik de voorbije maanden niet hetzelfde gevreesd voor mijn dochter?

Ik troostte mezelf met de enige gedachte die steek hield: dat Ashmedai haar niets zou aandoen. Daarvoor wilde hij haar te graag in zijn klauwen. Hij had natuurlijk ook al eeuwen naar een wezen als zij toegewerkt.

Nu leek het erop dat ik gelijk had. Ze was inderdaad in orde. En hoewel de demonen die Ruben opriep dat wel hadden laten uitschijnen, hadden ze mooi verzwegen dat het baby’tje dat Ashmedai ontvoerd had ondertussen een jong meisje was. Opgeroepen demonen konden niet liegen, dus moesten ze er telkens omheen gepraat hebben.

Rotzakken.

Aitvaras hield zijn kop schuin en keek me met zijn gele kattenogen aan alsof ik in een sprot veranderd was.

“Wat?” vroeg ik terwijl ik ongemakkelijk op mijn stoel schuifelde.

“Je gezicht vertrok helemaal.”

Ik haalde mijn schouders op.

“Waarom heeft hij haar Merihim genoemd?”

Aitvaras aarzelde.

“Vertel op! Ashmedai doet niets zomaar.”

“Het betekent ‘brenger van de pest’.”

Ik veerde op. “Is het dat wat de vampiers hebben? De pest?”

“Dat weet ik niet,” moest de demon-kat toegeven. “Wat ik wél weet, is dat het snel gaat. Jouw dierbare Alexej heeft hooguit enkele dagen.”

Aitvaras’ woorden waren als nagels die diep in mijn hart getimmerd werden. Ik klemde mijn handen steviger om mijn reeds afkoelende kop chocolademelk. Als een shot tequila dronk ik de nu lauwe vloeistof in één teug leeg.

De kilte bleef.

“Bestaat er een medicijn?” vroeg ik, hoewel ik bang was van het antwoord.

Aitvaras keek om zich heen. Hij nam er de tijd voor. Hij draaide zijn kop naar links, knipperde met zijn ogen, stond even op, draaide om zijn as, en ging toen weer zitten met zijn staart om zich heen gedrapeerd. Mijn been wiebelde driftig op en neer van ongeduld.

“Er is geen medicijn voor zover ik weet.”

“Jij kunt toch mensen genezen?” opperde ik.

“Van menselijke kwaaltjes. Niet van epidemieën op eschatonische schaal.” Hij moet de verwarring op mijn gezicht hebben gezien, want hij voegde eraan toe: “Je weet wel: eschaton, armageddon, het einde van de wereld. Dat soort dingen.”

“Mijn dochter is geen anti-christ,” zei ik, meer om mezelf te overtuigen dan Aitvaras. Hij negeerde mijn bewering.

“De enige manier om de verspreiding van deze ziekte een halt toe te roepen, is door Merihim tegen te houden.”

“En hoe pas ik in dit verhaal?”

“Kom met me mee naar de demonenwereld en praat met haar.”

Ik lachte grimmig. “Jij weet net zo goed als ik dat zoiets niet kan. Mensen kunnen niet zomaar naar de demonenwereld.”

Mijn kennis hierover kwam uit ‘De Geschiedenis der Bezweerders’, een boek dat ik jaren geleden gekocht had op de rommelmarkt. Volgens het boek was de lucht er pure sulfer. De arme zielen die toch meegesleurd werden door een demon waren ofwel ten dode opgeschreven, ofwel werden ze in een speciale zuurstofcel geplaatst waarmee de demon zijn gevangenen in leven kon houden zolang ze hem plezierden. Die woorden gebruikte het boek, niet ik.

“Mensen niet, nee. Maar mensen met demonenbloed?” Hij liet de implicaties in de lucht hangen.

Mijn adem stokte. Zou het echt? Kon dat? Dan kon ik naar mijn dochter gaan! Dan zag ik haar eindelijk. Mijn hart maakte een sprongetje, maar viel daarna meteen in een ravijn. Als ze echt tien jaar was, had Ashmedai tien jaar de tijd gehad om haar allerlei leugens over mij op de mouw te spelden. Haar boze blik van bij haar geboorte bezorgde me nog regelmatig nachtmerries. Ik balde mijn handen tot vuisten. Misschien kon ik voor één keer als overwinnaar uit de bus komen? Als ik met mijn dochter kon praten, haar kon overtuigen de vampiers te genezen, dan won ik deze veldslag. Er was echter nog iets dat me dwars zat.

“Ashmedai gaat me niet zomaar bij haar laten,” zei ik.

“Het zal je verheugen te horen dat ze ook Ashmedai heeft verjaagd.”

Mijn ogen werden groot. “Wat?”

“Papa en dochter waren het niet eens over de aanpak en dus heeft ze hem het paleis uitgejaagd. Ik geloof dat kort daarop onze paden kruisten.” Hij gebaarde naar zichzelf. “Met alle gevolgen van dien.”

“Dat was waarschijnlijk het moment waarop je het nodig vond om mijn hulp in te roepen?” raadde ik.

De kat grijnsde. Ik draaide met mijn ogen.

“Waar is Ashmedai nu?”

“In zijn oude schuilplaats. Hij zal je niet dwarszitten.”

“Hoe weet je dat zo zeker?”

“Hij heeft er alle baat bij dat Merihim ophoudt met haar kinderlijke kuren. Pas als zij inbindt, kan hij zelf weer koning zijn.”

Dus papa-lief kon zijn eigen dochter niet meer de baas? Hoe machtig maakte dat haar?

“Hij wilde toch dat zij heerste?” Ik herinnerde me Ashmedai’s woorden toen hij me voorstelde om met hem mee te gaan en te heersen over de demonen tot onze dochter oud genoeg was om zelf te heersen. Als zijn koningin. Ik werd misselijk bij de idee alleen al.

“Ja, maar niet nu direct. Hij dacht dat hij nog wel enkele jaartjes – of eeuwtjes, weet ik veel – te gaan had.”

Dat klonk inderdaad als Ashmedai. Maar om vrijwillig naar dezelfde wereld te gaan als waar hij vertoefde. Waar hij bij me kon. Was dat een goed idee?

Langs de andere kant was het mijn eerste echte kans om Merihim te zien. Misschien kon ik haar overtuigen om met mij mee te gaan? Terug naar de mensenwereld. Een dochter neigt toch naar haar moeder? Als zij inderdaad op slechte voet stond met Ashmedai was dit het ideale moment om naar haar toe te gaan.

Aitvaras stond op en sprong van de tafel.

“Praat erover met je liefje, en laat me morgen iets weten.”

Daarop verdween hij. Waarschijnlijk naar dat kattinnetje van hem.

 Ik ging naar binnen. De overgang van de koude buiten naar de warmte binnen deed mijn huid bijna pijnlijk tintelen.

Praat erover met je liefje. Kon het nog denigrerender? Ik zette de lege kop met een smak op het aanrecht. Maar hij had gelijk. Ik kon niet zomaar vertrekken zonder met Ruben te praten.


Bevrijding is verkrijgbaar vanaf oktober 2021


Bestel je alvast graag een gesigneerd exemplaar?

Neem contact met me op via het contactformulier.