Beproeving – Hoofdstuk 1

“Dag, schoonheid.”

Ik keek op van het verslag dat ik voor mijn baas aan het uittypen was. Voor me stond een sportief gebouwde man in een grijs maatpak dat jammer genoeg zijn getrainde lichaam verborg. Maar ik wist maar al te goed wat er verstopt zat onder die lagen katoen en kasjmier. Eén grijsblauw oog – nu meer grijs dan blauw vanwege de kleur van zijn pak – fonkelde. Het andere oog verborg zich achter een korte bles. Sofie, een jeugdvriendin van hem en kapster-aan-huis, had zijn lange haar korter geknipt waardoor het nu half voor zijn ogen viel.

“Ruben?”

“Hoe gaat het?”

“Goed, goed. Wat doe jij hier?”

Hij glimlachte. “Ik heb hier een rekening, weet je nog?”

Oh, juist ja. Die had ik zelfs nog voor hem geopend. Of beter, die had ik voor Ashmedai geopend. De vroegere demonenkoning.

Ruben was, behalve een stinkend rijke immobiliënmagnaat, ook een demonenmeester, wat betekende dat hij Hoge Demonen kon oproepen, in tegenstelling tot normale stervelingen zoals jij en ik. Een paar weken geleden had hij echter de fout gemaakt de demonenkoning zelf op te roepen. Ashmedai had bezit genomen van zijn lichaam en mij verleid. Ik weet tot op de dag van vandaag nog altijd niet waarom. Maar aangezien Ruben en ik hem daarna samen vernietigd hebben, vermoed ik dat zijn beweegredenen niet zo veel meer uitmaken.

“Ik ben op het matje geroepen door je baas,” voegde hij eraan toe en hij gebaarde naar de gesloten deur achter me. Een goudkleurige plaque met in sierlijk schrift ‘J. Van Praet’ erop was het enige dat verraadde wiens kantoor het was.

“Sorry…” 

“Kan jij toch niks aan doen?” Hij boog voorover en legde zijn handen op de mijne. Ik trok ze terug en liet ze in mijn schoot vallen. Toch ging hij niet opnieuw rechtstaan. Een zweem van zijn parfum vloog in mijn neusgaten en ik ademde diep in. Wat rook hij lekker. Een heerlijke mix van warme kruiden en leder. “Ben je hier binnen een uurtje nog?”

Ik wierp een snelle blik op de klok. Mijn lunchpauze zou binnen een kwartiertje beginnen, maar aangezien ik geen wilde plannen had, kon ik wel snel een broodje halen en op kantoor eten. Dus knikte ik. 

“Perfect,” Ruben glimlachte en rechtte zijn rug, “dan zie ik je straks.” En met een knipoog verdween hij het kantoor van Van Praet in. Ik staarde hem na. Toen ik me terug op mijn werk wilde richten, voelde ik het gewicht van drie paar blikken op me. Mijn drie collega’s – van de wulpse Stefanie, over de goedlachse Frieda, tot de pensioengerechtigde Gerda – keken me met open mond aan. 

Wat? uitte ik zonder klank en al gauw hervatten ze hun eigen bezigheden. Ik schudde mijn hoofd. Verdomde aasgieren. Zeker Gerda. Zij was de grootste roddeltante van het stel. Haar radertjes waren zeker al een of ander fabeltje aan het fabriceren over het soort relatie dat ik met Ruben had. Ze kon verhalen weven zoveel ze wou. De ware aard van mijn relatie met Ruben ging ik niet aan de grote klok hangen.

Zeker niet zolang ik er zelf niet uit was. 

Net toen ik de regel weer gevonden had waar ik gebleven was, plofte Stefanie haar welgevormde zitvlak op mijn bureau. Zonder ook maar enige moeite te doen om mijn irritatie te verbergen, keek ik op. Ze grijnsde.

“En?”

“En wat?” Ik was niet van plan mijn vuile was buiten te hangen.

“Hoe zit het tussen jullie?”

Sinds Stefanie vorige zomer getuige was geweest van Rubens geflirt met mij, kon ze het onderwerp niet loslaten. Hij had Stefanie, die duizend keer beter in de markt lag dan ik, zelfs straal genegeerd. Ze was er niet boos om. Zo was Stefanie niet, maar sindsdien wilde ze wel alles weten van wat er tussen Ruben en mij gaande was. En toen ik een hele week, zonder iets te laten weten, niet was komen opdagen op het werk – iets wat normaal aanleiding is voor onmiddellijk ontslag – en daarna gewoon terug was komen werken zonder repercussies, was het voer voor wilde speculaties. Vooral van Gerda dan.

Het was blijkbaar een publiek geheim dat de CEO van de Onafhankelijke Vlaamse Bank dankzij Ruben een zitje in het parlement had weten te bemachtigen. En jammer genoeg had Stefanie haar mond voorbij gepraat en haar – onze – collega’s verteld dat ik de avond voor ik verdwenen was een afspraak had met Ruben. Dus het feit dat ik gewoon terug mocht komen werken, moést wel dankzij Ruben zijn. Sindsdien was ik voor hen een van die werknemers die hun carrière op hun rug maakten. 

Joepie! 

Mooi niet dus. 

“Zodat je het weer kunt verklappen?” vroeg ik stekelig.

Stefanie’s gezicht betrok. “Daar heb ik me al voor verontschuldigd. Wist ik veel dat je er zoveel rotzooi door zou krijgen?”

Ik wreef in mijn ogen. “Ja, sorry, je hebt gelijk. Maar ik wil het er niet over hebben, Stefanie. Oké?”

Ze hield haar handen afwerend omhoog. “Oké, oké, maar als er nieuws is, vertel je het me toch, hè?” Haar gewoonlijke enthousiasme was alweer terug. Typisch Stefanie. Die kon niet lang boos blijven. 

Ik knikte en beloofde het haar.

“Ga je mee eten?” vroeg ze terwijl ze opstond en haar handtas nam. 

“Nee, ik eet op kantoor. Ik haal wel gauw een broodje om de hoek.”

Haar blik viel op de gesloten deur met het sierlijke plakkaat en ze grijnsde.

“En dat heeft zeker niks te maken met een zekere bezoeker van Van Praet, hè?” vroeg ze schalks. Ik keek haar kwaad aan wat haar een bulderlach ontlokte. “Oké, duidelijk. Maar ik verklap niks. Beloofd!” En als om haar woorden kracht bij te zetten hield ze haar wijsvinger op haar lippen. Hoofdschuddend nam ik mijn eigen handtas en stond op. Een plotse duizeling overviel me en ik plofte weer op mijn stoel. Ik had vanochtend niets gegeten, omdat ik me niet opperbest voelde. Dat moest ik nu blijkbaar bekopen. 

Opnieuw stond ik op, voorzichtiger deze keer. Oké, dat ging al beter. Ik gooide mijn handtas over mijn schouder en volgde het gekakel van mijn drie collega’s naar buiten. 

__________

Jef Van Praets deur ging open en Ruben kwam buiten samen met onze kantoordirecteur. Ze waren nog volop in gesprek en zagen me niet. 

“Dus alles is geregeld?” vroeg Ruben.

Van Praet knikte, waarbij zijn dunner wordende haardos op en neer wiebelde. Hij was een jaar of vijftig en een van die mannen die dacht dat, als hij zijn haar opzij kamde, het niet opviel dat hij kalend was. Eén keer raden wat het effect daarvan was. Precies! Net het tegenovergestelde. 

“Goed, dan hebben we een deal.” De mannen schudden de hand en Van Praet maakte aanstalten Ruben naar de voordeur te begeleiden. “Ik moet nog even iemand spreken,” zei Ruben en hij gebaarde naar me. Van Praets gezicht sprak boekdelen, maar hij hield wijselijk zijn mond. Na nog een laatste afscheid ging hij zijn kantoor terug binnen en sloot de deur. Daarop wandelde Ruben mijn richting uit. Ik kreeg het plotseling benauwd. Snel focuste ik me weer op het weekblad dat ik aan het lezen was. Ik had het in de wachtruimte gevonden. En bij gebrek aan een andere interessante bezigheid was mijn aandacht al snel getrokken door de schokkende getuigenissen van een of andere bekende Vlaming, die ik natuurlijk weer niet kende. Ik keek ook amper tv. Ik had echter met hem te doen. Ik wist wat het was om slachtoffer te zijn van valse beschuldigingen zonder dat je de kans had jezelf te verdedigen.

Leder kraakte, en de bank waarop ik zat, zakte verder in. 

“Interessant?” vroeg Ruben. Ik smeet het blad achteloos terug op het lage tafeltje en schudde mijn hoofd.

“Eigenlijk niet.” 

Ruben staarde me aan. Hij knoopte zijn colbert open en leunde achterover op onze ongemakkelijke bezoekersbank, met één been over zijn knie. 

“En hoe ging het?” vroeg ik om maar iets te vragen.

“Beter dan verwacht,” hij grijnsde. 

“Je hebt een deal, hoorde ik?”

Ruben knikte. “Mensen kunnen niet weerstaan aan macht.”

Ik keek hem aan in de verwachting dat er nog meer kwam, maar tevergeefs. Het onderwerp was afgesloten. Voor Ruben dan toch. Voor mij daarentegen…

“En?” 

“En wat?” 

“Wat wil Van Praet?”

Rubens mondhoeken gingen omhoog. “Dat is tussen mijn cliënt en mij.”

Ergens kon ik wel raden waar het over ging. In ruil voor een nieuw postje binnen de bank, ging onze kantoordirecteur zijn ziel verkopen aan een demon. Vreemd genoeg had geen enkele demon mij ooit om mijn ziel gevraagd. Misschien vonden ze het gewoon te leuk om mij te sarren door de informatie die ik destijds nodig had voor zich te houden? Of misschien wisten ze het echt niet, zoals ze ook steeds beweerden, en maakte dat hun prijs overbodig? 

Ach, het maakte eigenlijk ook niet meer uit. Dat lag allemaal in het verleden. En gelukkig maar. Hoe minder ik met demonen te maken had, hoe beter. 

Maar dat nam niet weg dat een zekere demonenmeester wél nog in mijn gedachten bleef spoken.

“Ga je mee iets eten vanavond?” trok Ruben me abrupt uit mijn gepeins, “Om het te vieren.”

“Niet als je me niet vertelt wat Van Praet wil,” plaagde ik hem. En zonder op antwoord te wachten, voegde ik eraan toe, “Eigenlijk heb ik al een afspraak.”

“Met Alexej?” Hij spuwde de naam uit en ik knikte. Ik hield mijn blik strak op de cover van het blad dat ik aan het lezen was. Alexej was in augustus naar Antwerpen gekomen als afgevaardigde van het Vampiertribunaal. Het was destijds zijn taak om ervoor te zorgen dat ik stopte met demonen oproepen. En dat was gelukt. Al mijn bezweringsspullen lagen al enkele weken stof te vergaren onderaan mijn kleerkast. Helemaal weggooien had ik tot dusver nog niet gedurfd. Ik was te bang dat ze in verkeerde handen zouden terechtkomen. En zo, dacht ik, had ik volledig gebroken met alles wat met demonen te maken had. Al had Alexej daar niets mee te maken. Mijn doel was bereikt. Mijn ouders en zus waren uit Ashmedai’s klauwen gered. Niet helemaal zoals ik het voor ogen had, maar ik had er toch een zekere voldoening in gevonden. En Ashmedai zelf was vernietigd. Die kon niemand nog kwaad doen.

Opgeruimd staat netjes. 

Toch was Alexej nog niet terug naar Rusland, zijn thuisbasis, vertrokken. Hij had me een aantal keer uit gevraagd, maar ik had steeds geweigerd. Mijn gevoelens voor een bepaalde demonenmeester zaten daar voor iets tussen. Maar ik had Ruben al even niet meer gezien. De laatste keer was toen ik hem in een opwelling gekust had. Daarna was het stil geweest. Dus toen Alexej me voor de zoveelste keer uitnodigde om iets te gaan eten, had ik toch maar toegezegd. Mede op aandringen van Riika, mijn vampiermoeder zeg maar, al zag ik haar eerder als een zus. Het zou me goed doen, had ze gezegd. Ik kon wel wat ontspanning gebruiken, vond ze. Nu had ik natuurlijk spijt dat ik naar haar geluisterd had.

Ruben slaakte een diepe zucht. Hij leunde naar voren, zette zijn ellebogen op zijn knieën en wreef over zijn gezicht. “Kun je niet afzeggen?”

“Ik zou niet weten hoe ik hem moet bereiken,” zei ik naar waarheid, “hij heeft geen telefoon, geen gsm, geen computer.”

“Kom dan gewoon niet opdagen?” probeerde hij. Ik keek hem geschokt aan.

“Dat kan ik niet maken!”

Ruben haalde zijn schouders op. Volgens hem had ik dat dus wel kunnen doen. Achter me hoorde ik een deur openen, gevolgd door Stefanie’s hoge altstem. Ik keek op mijn horloge. Onze lunchtijd was voorbij. Ruben legde zijn hand op mijn knie en ik schrok. Mijn ogen vlogen van zijn hand naar mijn collega’s en weer terug. Plots voelde ik me misselijk. Hij kneep even in mijn knie en stond toen recht.

“Laat het me weten als je van gedachten verandert?” vroeg hij. 

Het koud zweet brak me uit. Mijn maag deinde op en neer als een schip in een tropische storm. Ik veerde recht en met mijn handen over mijn mond rende ik naar het toilet zonder Ruben een antwoord te geven.

Mijn lunch eindigde half-verteerd in de wc-pot. 

“Zo lelijk is hij nu toch ook weer niet?”

Ik schrok. Stefanie stond achter me, haar gezicht bezorgd. Wanneer was zij binnengekomen? Ik had haar helemaal niet gehoord. Snel spoelde ik het toilet door. 

Nog steeds op mijn knieën trok ik een halve meter toiletpapier van de rol en veegde mijn mond af. Daarna stond ik op en plofte op de wc-bril. Zweetdruppels parelden op mijn voorhoofd en ik liet mijn hoofd in mijn handen vallen. 

“Hij heeft het zwaar te pakken,” ging Stefanie verder. “Waarom ga je niet met hem uit?”

Ik overwoog of het een goed idee was naar huis te gaan en mijn tanden te poetsen – ik woonde niet zo ver van hier – maar besloot dat ik niet nog meer problemen met mijn collega”s wilde.

“Heb je een muntje?” vroeg ik en mijn stem kraakte. Blijkbaar had ik mijn stembanden geforceerd toen mijn broodje er in stukken en brokken weer was uitgekomen. 

Stefanie reikte in haar broekzak en gaf me een heel doosje Frisk.

“Hou maar,” zei ze en ik mompelde een bedankje terwijl ik er eentje in mijn mond stak. Eindelijk voelde ik me in staat rechtop te staan en op wankele benen begaf ik me naar de wasbak. Ik spoelde mijn gezicht af en depte het droog met een papieren handdoekje. Via de spiegel keek ik haar aan. Een vragende blik keek terug. 

“Ik had al iets te doen,” beantwoordde ik haar eerdere vraag.

“Met iemand anders?”

Ik knikte.

“Sam?”

“Nee!” zei ik snel. Misschien iets te snel. Sam had nooit op mijn lijst van potentiële partners gestaan. Hij was mijn beste vriend. Een vaderfiguur. Hij had me samen met Riika opgevoed nadat mijn ouders ontvoerd waren door Ashmedai. Ergens in de loop der jaren waren zijn gevoelens voor mij veranderd. Maar de mijne waren hetzelfde gebleven. Ik dacht dat het wel over zou waaien als ik zijn gevoelens negeerde, maar dat bleek niet zo te zijn. Pas vorige zomer had ik aan hem toegegeven dat ik het wist. En kort daarna was ik verliefd geworden op Ruben. Wellicht niet mijn beste zet ooit. In Sams ogen dan toch.

“Ben je bang voor het leeftijdsverschil? Hoe oud is Sam ook alweer?”

“Tweehonderd jaar ongeveer.” Haar vragen leidden me af van mijn opstandige maag en mijn dilemma’s dus beantwoordde ik ze met plezier.

Ze floot. “Hij ziet er nog goed uit voor zijn leeftijd. Die moet het mij geen twee keer vragen.”

“Stefanie!” Plaatsvervangend schaamrood steeg naar mijn wangen. Ze begon te giechelen. Het werkte aanstekelijk en al gauw hielden we allebei onze buik vast en deden onze kaken pijn. 

“Voel je je al wat beter?” vroeg ze. Meteen was de ernst weergekeerd.

“Ja, bedankt. Dat had ik even nodig.”

Ze pakte me vast en gaf me een stevige knuffel. 

“En met wie heb je nu een date?” fluisterde ze in mijn oor terwijl ze me vasthield.

“Alexej.” Het had geen nut er een geheim van te maken.

“Een vampier?”

“Ja, maar zeg dat alsjeblieft niet tegen Gerda en Frieda!”

Ze liet me los en grijnsde. “Heeft hij geen knappe vriend die vrijgezel is? Dan kunnen we waarschijnlijk wel iets regelen.”

“Vriend wel, vrijgezel niet.”

“Verdomme.” Maar ze lachte terwijl ze het zei. Ik glimlachte ook. 

“Is hij knapper dan Ruben?”

Het was als grap bedoeld, maar toch dacht ik serieus na over die vraag. De twee mannen waren zo tegengesteld aan elkaar dat ik ze bijna niet kon vergelijken. De ene was donker, de andere blond. De ene was rijk en had alle luxe die hij zich maar kon veroorloven. De andere had niet eens een gsm en moest ik straks met mijn aftandse autootje gaan ophalen. Maar ze zagen er allebei goed uit. En ze waren allebei aan een charme-offensief bezig, wat mijn ondergewaardeerde ego zeker streelde. Na jaren in de schaduw van Riika geleefd te hebben, stond er plots een kleine spot op mij en ik genoot van het licht.

Begrijp me niet verkeerd. Ik heb het Riika nooit kwalijk genomen. Ze was niet eens op zoek naar zoveel aandacht. En ik had er toen ook geen behoefte aan. Mijn zoektocht naar mijn ouders en mijn zus nam al mijn vrije tijd in beslag. Mannen kwamen op de laatste plaats. Die paar jeugdliefjes telde ik niet mee. 

Stefanie keek me heel indringend aan. Ik lachte een beetje verlegen.

“Zo’n moeilijke keuze?”

Ik knikte. 

“Je geraakt er wel uit.” Ze legde haar arm om me heen en samen liepen we naar de deur. “Geniet er eerst maar van. Enne,” zei ze samenzweerderig, “alle handelswaar goed testen, hè!”

“Oké, genoeg!” riep ik, te verlegen om nog op het onderwerp door te gaan. Stefanie lachte en het geluid vulde het hele vertrek.

“Wat?” vroeg ze, zogenaamd onschuldig. “Dat is toch belangrijk?”

“Is Ruben er nog?” vroeg ik toen ik me herinnerde dat ik hem alleen op de bezoekersbank had achtergelaten. Stefanie trok de deur open en stak haar hoofd naar buiten.

“Nee, hij is weg.”

Oh.

Wat had ik ook verwacht? Dat hij als een schoothondje om mijn aandacht kwam bedelen? Hij was een zakenman. Hij had wel wat beters te doen dan een arme, zieke bankbediende te versieren. 

Stefanie nam haar plaats in aan het loket en ik keerde terug naar mijn eigen saaie verslag. Op mijn toetsenbord hing een gele post-it.

Bel me! 
R.

Met een brede grijns hervatte ik mijn werk.


Meer lezen?

Beproeving is te koop als paperback via alle reguliere boekhandels en als e-book bij Kobo en Amazon:


Liever een gesigneerd exemplaar?

Neem contact met me op via het contactformulier.